Technische vaardigheden, tactisch inzicht,
mentale kracht en fysieke eigenschappen ,zoals een goed uithoudingsvermogen,
explosieve kracht, (start) snelheid,coördinatie en concentratie .
Als vechtsporter wil je over al deze verschillende eigenschappen beschikken. Dit
is niet voor iedereen weggelegd. Vaak hoor je mensen zeggen: hij is een
natuurtalent .Je wordt er mee geboren of niet! Het is hard..maar waar. Maar we
kunnen wel door zo specifiek mogelijk te training ,het beste in ons boven
halen. Hieronder staan enkele conditionele trainingsmethodes voor vechtsporten
beschreven . Maar nu eerst een korte uitleg over energiesystemen,
spiervezels en hun werking.
Energiesystemen
Wanneer we in beweging komen, beginnen er in ons lichaam verschillende systemen
te werken die ons van energie moeten voorzien. Afhankelijk van de intensiteit en
aard van de beweging, kunnen dit systemen op zowel cardiovasculair (hart en
longen, bloedsomloop) als spierniveau zijn. Over het algemeen geld dat
energielevering voor kortere, krachtige inspanningen op spierniveau en
energielevering voor langdurige, middelmatige inspanningen op cardiovasculair
niveau geregeld worden.
De brandstof waar we bij lichamelijke inspanning op draaien heet ATP
(Adenosine Tri Phosfaat) Kenmerkend voor deze stof is dat het direct en
maximaal beschikbaar is, zeer veel energie levert maar ook een zeer beperkte
capaciteit heeft; de hoeveelheid ATP die we van onszelf in de spieren hebben
opgeslagen is genoeg voor een inspanning van zo'n drie seconden.
Alle energiesystemen die we kennen, zowel op cardiovasculair- als spierniveau,
hebben daarom tot doel deze brandstof weer via bewerking van andere stoffen op
te wekken.
De formule voor het vrijmaken van energie (via ATP) is als volgt:
ATP = ADP + energie + P
Het ADP in deze formule staat voor Adenosine Duo Phosfaat, oftewel
de bewerkte vorm van ATP. Als we deze formule zouden moeten uitleggen, dan
kunnen we de 'beginstof' ATP het beste als een rondje met daaraan drie (vandaar
het 'Tri') P'tjes kunnen neerzetten. Bij lichamelijke inspanning laat een van de
P'tjes los en houden we een rondje met nog meer twee ('duo') P'tjes over, met
als gevolg dat we geen ATP en dus brandstof meer hebben. Op dat moment zal er
via verschillende energiesystemen een nieuw P'tje gemaakt en aan het rondje
gekoppeld kunnen worden, zodat we weer drie P'tjes en dus verse ATP ter
beschikking hebben. Deze verschillende energiesystemen worden hieronder
beschreven.
Anaërobe Creatine fase
Gedurende de eerste 10 seconden werkt het fosfaatsysteem. Dit is een anaëroob
proces waarbij (in tegenstelling tot andere anaërobe processen) geen melkzuur
vrijkomt. In deze fase haalt het lichaam energie uit de stof creatine-fosfaat,
een energieleverancier die explosieve kracht geeft gedurende een korte periode.
Bij een inspanning van zo'n 10 tot 15 seconden
word er met behulp van de stof creatinefosfaat nieuwe ATP aangemaakt.
De formule voor het fosfaatsysteem is als volgt:
ADP + Creatine = ATP
Dit systeem levert zeer veel energie maar kent ook weer een beperkte capaciteit.
Er vind daar in tegen geen productie van afvalstoffen plaats
Anaërobe melkzuurfase
Daarna schakelt de spierstofwisseling, voor korte duur (2 tot 3 minuten), over op het melkzuursysteem. Het lichaam suikers (glucose) verbrandt om te voorzien in de energiebehoefte. Een afvalproduct van het verbranden van suikers is lactaat (melkzuur). Deze fase overbrugt de creatine fase en de aërobe stofwisseling in de volgende fase.
Bij inspanningen op spierniveau langer dan 20
seconden en met een duur van maximaal 3 minuten treed het zogenaamde lactische,
of melkzuursysteem in werking. Hierbij word er glucose gebruikt om energie aan
te maken.
De formule voor het melkzuursysteem:
ADP + glucose = ATP + melkzuur
Zoals de formule al aangeeft komt er bij deze manier van energieverwekking ook
de afvalstof melkzuur vrij , door ophoping van melkzuur zullen de spieren stijf,
opgezwollen en 'verzuurd' gaan aanvoelen.
Aërobe of zuurstof fase
Wanneer de duur en de intensiteit verhoogd
worden, gebruikt de spier zuurstof en vetzuren Deze fase betreft het
zuurstofsysteem. De spier gebruikt nu zuurstof en suikers (glucose).
ADP + glucose, vetten, eiwitten + zuurstof = ATP + water
In principe zal er bij dit systeem altijd gelijktijdig glucose en vetten
gebruikt moeten worden. Het een gaat niet zonder de ander. Het is afhankelijk
van de mate van inspanning en de aanwezigheid van zuurstof of dit overwegend
glucose dan wel vet zal zijn; inspanningen op een lagere intensiteit, zoals
wandelen, doen door de aanwezigheid van de grote hoeveelheid zuurstof een groter
beroep op de directe vetverbranding terwijl inspanningen op een hogere
intensiteit, zoals joggen, weer een groter beroep op de glucoseverbranding doen.
In het geval van uitgeputte glucosevoorraden en het tegelijkertijd inspannen op
te hoge intensiteit kunnen er bij dit systeem ook eiwitten (uit spieren)verbrand
worden; dit is echter een noodoplossing! Eiwitten zijn geen brandstoffen maar
bouwstoffen, en de verbranding van eiwitten ten behoeve van energie word daarom
ook wel 'spieren verbranden' genoemd.
Het verschil tussen aërobe en anaërobe training
Aëroob
(betekent zuurstofrijk) .Met cardiovasculair word eigenlijk
de samenwerking tussen het hart en de longen bedoeld. Deze twee organen zorgen
samen voor de toevoer van voedingsstoffen en zuurstof naar de rest van het
lichaam. Vanaf het hart word bloed naar de longen gepompt, waar zuurstof zich
aan het bloed hecht wat vervolgens via de bloedsomloop naar het lichaam vervoerd
kan worden. Bij inspanning moet het hart meer slagen maken om zo voldoende
zuurstof rond te kunnen blijven pompen.
Bij de energiesystemen op cardiovasculair niveau zal er dus altijd energie
worden vrijgemaakt via het verbruik van zuurstof. Het is tevens door het gebruik
van zuurstof dat er bij systemen op dit niveau naast glucose (bewerkte
koolhydraten) eiwitten en en vetten verbrand kunnen worden.
Aërobe training is wanneer je gedurende minimaal 20 tot 30 minuten onafgebroken beweegt en de hartslag tijdens deze periode tussen 70 en 80% van je maximale hartslag blijft. (de maximale hartslag is ongeveer 220 verminderd met je leeftijd).
Dit soort training versterkt het cardiovasculair systeem (hart en longen) en de algehele kracht en uithouding.
Om maximaal voordeel te halen uit aërobe
training, moet deze minstens 3 maal per week uitgevoerd worden.
Anaërobe (betekent
zuurstofarm) . Het belangrijkste verschil ten opzichte van die op
cardiovasculair niveau is dat er bij de energiesystemen op spierniveau geen
zuurstof gebruikt wordt.
Anaëroob is een misschien wat vreemde term aangezien we in alles wat we doen
altijd zuurstof nodig lijken te hebben. Echter, de spiercontracties- en
bewegingen die om energie uit de anaërobe systemen vragen zijn zo krachtig en
explosief dat het lichaam niet eens de kans krijgt zuurstof aan te voeren.
Bewerking van brandstoffen vind daarom ook zonder zuurstof plaats. Ook zijn de
spiervezels die betrokken zijn bij dergelijke inspanningen niet gemaakt voor de
verwerking van zuurstof, maar daarover later meer
Anaërobe training is een training die niet lang genoeg duurt of niet intensief genoeg is om voor een continue verhoogde hartslag te zorgen. Een gevolg is dat het cardiovasculair systeem er niet zoveel voordeel uit haalt als uit aërobe training. Een Anaërobe training is wanneer je hartslag zich boven 80% van de maximale hartslag bevindt (dit is maximaal voor 2 minuten vol te houden, daarna raak je buiten adem).
Anaërobe training is niet nutteloos, want het
verbetert de spierkracht en lenigheid. Je volledige lichaam haalt voordelen uit
anaërobe training. Een voorbeeld van anaërobe training is krachttraining met
gewichten.
Er bestaan 3 soorten anaërobe oefeningen:
Isotone oefeningen vereisen het samentrekken van je spieren terwijl ze weerstand ondervinden van gewichten of je eigen lichaam.
Isometrische oefeningen zijn oefeningen waarbij je spieren werk verzetten, zonder beweging van gewrichten.
Gymnastische oefeningen zijn oefeningen die de lenigheid en beweeglijkheid bevorderen.
Rode en witte spiervezels
Het mag inmiddels duidelijk zijn dat de
verschillende energiesystemen samen hangen met een bepaalde mate van inspanning.
De verschillende energiesystemen zijn ook nog te koppelen aan de typen
spiervezels die het menselijk lichaam kent.
Onze spieren, verantwoordelijk voor het uitvoeren van de bewegingen, zijn
opgemaakt uit 4 verschillende typen spiervezels. Deze spiervezels hebben ieder
hun eigen kenmerken met betrekking tot het gebruik van energie en beweging. De
belangrijkste kenmerken met betrekking tot lichamelijke inspanning, gerangschikt
per type spiervezels, zijn als volgt:
De Rode Spiervezels
De rode spiervezel wordt ook wel Slow Twitch spiervezel genoemd ,door het traag
op gang komen van dit spiervezeltype. Dit vezeltype komt vooral voor bij de
marathonatleet. De reden dat deze spiervezel de rode spiervezel heet, is omdat
er een kleurverandering naar rood optreedt als de vezel in contact wordt
gebracht met myoglobine. Training van de rode spiervezel moet worden uitgevoerd
in het zuurstofsysteem .
Type 1, slow-twitch :Worden ook wel
'oxidatieve' of 'rode' spiervezels genoemd
-Moeten zuurstof gebruiken om energie te leveren
-Trekken langzaam samen
-Doen er langer over om tot maximale spanning en ontspanning te komen
De Witte Spiervezels
De witte spiervezel wordt ook wel Fast Twitch genoemd door zijn
explosieve kracht. Een bodybuilder heeft relatief veel wit spiervezel in zijn
lichaam zitten. Alleen de witte vezels kunnen hypertrofiëren (groter worden). De
training vindt voornamelijk plaats in de fosfaatpoel en ook in het
melkzuursysteem.
Type 2a, gemengd spiervezels fast-twitch:
Worden ook wel 'oxidatief-glycolytische' of 'witte' spiervezels genoemd
-Kunnen ook zuurstof gebruiken om energie te leveren
-Trekken snel samen
-Doen er snel over om tot maximale spanning en ontspanning te komen
Type 2b, fast-twitch : Worden ook wel 'glycolytische' spiervezels of
'witte' spiervezels genoemd
-Gebruiken geen zuurstof om energie te leveren
-Trekken het snelste samen
-Doen er het snelst over om tot maximale spanning en ontspanning te komen
Type 2c, fast-twitch -De 2c vezels zijn nog niet gespecialiseerd, ze kunnen nog worden omgebogen naar type 1 of naar type 2a of 2b
Met type 2c worden meestal fast-twitch
spiervezels bedoeld die door bijv. training kenmerken van slow-twitch (type 1)
vezels hebben overgenomen. Dit gebeurd wanneer je veel duursporten doet
(hardlopen, lange afstanden fietsen etc.) wat het lichaam ertoe aanzet
spiervezels 'om te zetten' zodat er meer spiervezels voor een bepaalde, veel
voorkomende activiteit gebruikt kunnen worden.
Kenmerkend van type 2c spiervezels is dat ze door hun bouw wel in staat zijn tot
explosieve, krachtige samentrekkingen maar tegelijkertijd een zeer beperkte
hoeveelheid ATP en CP opslaan. Ze vertrouwen voor het leveren en produceren van
energie vooral op äerobe energiesystemen. De eigenschap tot explosief en
krachtig samentrekken is daarmee al verloren.
Het zijn dus spiervezels waar je als vechtsporter niet veel van wilt hebben.
Nu we iets meer inzicht in de fysiologie achter
conditie en spiergebruik hebben kunnen we door naar de praktijk: het beoefenen
van vechtsporten.
Om te beginnen waar het bij vechtsporten echt om draait, de vechttechnieken. In
principe moeten stoten, trappen, worpen en klemmen met zoveel mogelijk kracht,
snelheid en explosiviteit uitgevoerd kunnen worden. Voor deze acties dragen de
beide typen fast-twitch spiervezels de verantwoordelijkheid; zij (vooral de type
2b vezels) hebben de eigenschap tot de snelle, krachtige samentrekkingen die de
meeste power en explosiviteit opleveren.
Door de hoge snelheid waarmee de spiervezels moeten samentrekken is er geen tijd
en plaats voor het verwerken van zuurstof. Daarom komt de energie bij bewegingen
met zo’n mate van kracht en explosiviteit uit pure ATP, creatine en eventueel
glucose.
Deze werking van fast-twitch spiervezels en anaerobe energiesystemen geld niet
alleen voor voluit ingezette vechttechnieken, maar is ook van toepassing op
krachtoefeningen zoals push-ups, optrekken, sprongen en alles met
fitnessapparaten en halters. Deze bewegingen vragen allemaal om het krachtig
samentrekken van de spieren om zo een weerstand te kunnen overwinnen.
Een vechtsporter wilt altijd over een langere periode de explosiviteit in zijn
aanvallen kunnen houden. De eigenschap om meerdere aanvallen met optimale kracht
en snelheid achter elkaar uit te kunnen voeren zonder uitgeput te raken wordt
'kracht-uithoudingsvermogen' genoemd. Het woord 'uithoudingsvermogen' wat in
deze benaming terugkomt is alleen van toepassing op beweging en energielevering
op anäeroob spierniveau. Hoewel kracht-uithoudingsvermogen mogelijk het
belangrijkste aspect van vechtsportspecifieke conditie is wordt er nog
onvoldoende of gewoon verkeerd op getraind.
Het cardiovasculaire systeem en de slow-twitch spiervezels lijken weinig met de
uitvoering van vechttechnieken van doen te hebben. Dat wordt anders wanneer
dezelfde bewegingen met een rustiger tempo worden uitgevoerd, zoals in het
schaduwboksen wat nog wel eens ter warming-up gedaan wordt. Sowieso is het
lichamelijk gezien onmogelijk om er langer dan een, twee minuten voluit
technieken uit te gooien; dat betekent ook dat er in sparring en wedstrijden
altijd moet worden afgewisseld tussen bewegingen met hoge intensiteit (op
anaeroob spierniveau) en een lagere intensiteit (cardiovasculair niveau). Om dit
in vechtsporttermen te omschrijven: de bewegingen op spierniveau zijn de echte
harde KO’s, de bewegingen op cardiovasculair niveau zijn meer de schijnaanvallen
en tikken voor de puntjes. Vechtsporten kennen daarom ook wel een
intervalkarakter: acties op hoge intensiteit worden doorgaans afgewisseld met
acties op lagere intensiteit.
Conditionele trainingsmethodes voor vechtsporten
Veel vechtsporters doen aan lange afstand hardlopen,als onderdeel van hun
conditie training .
Maar wil je explosief blijven in je, stoten en trappen ,dan moet lange
afstand duurtraining niet de grootste steunpilaar zijn van je
vechtsportspecifieke conditietraining .
Buiten de belasting op de gewrichten doet hardlopen ook een aanslag op de
verschillende energiesystemen en andere biologische processen in het lichaam. De
kans op het verbranden van eiwitten en daarmee bouwstoffen voor de spieren is
aanzienlijk (kijk maar eens naar het postuur van marathonlopers) . Fast-twitch
spiervezels zullen zich uiteindelijk aan het vele hardlopen gaan aanpassen door
de eigenschappen van slow-twitch spiervezels over te nemen, wat leid tot minder
kracht, snelheid en explosiviteit.
Het werd ook al eerder als kenmerk genoemd: vechtsporten hebben een
intervalkarakter. Explosieve acties volgen elkaar op . Hoeveel nut heeft
duuractiviteiten op lage intensiteit dan voor verbetering van de
vechtsportspecifieke conditie? Niet veel, zoveel zal inmiddels wel duidelijk
zijn.
Lange afstanden hardlopen ter ondersteuning van vechtsporten is daarom sterk af
te raden. Degenen die het doen voor hun plezier en ontspanning moeten het vooral
blijven doen, maar positieve effecten wat betreft de vechtsportspecifieke
conditie zijn er gewoon niet.
Bij deze dus nog een keer het advies: Wil je explosief blijven begin dan
niet aan lange afstand hardlopen,maar vervang deze door korte duurloop en
explosieve sprinttraining.
En nu echt naar de trainingsmethodes.
Hieronder staan enkele conditionele trainingsmethodes voor vechtsporten
beschreven. De overeenkomst tussen deze verschillende methodes is dat ze
hoofdzakelijk gericht zijn op he verbeteren van de energiesystemen en conditie
op spierniveau, en dan met name het anäerobe melkzuursysteem.
Het melkzuursysteem hangt samen met het kracht-uithoudingsvermogen. Na het pure
ATP- en creatinefosfaatsysteem levert het de meeste energie voor krachtige
inspanningen; indien het juist getraint wordt kan de capaciteit van dit systeem
tot zeker 20 minuten worden uitgebreid. Het aerobe energiesysteem kan weliswaar
nog uren langer mee, maar bied veel te weinig energie voor de explosieve acties
waar vechtsporters op moeten vertrouwen.
Het viel al eerder in deze tekst te lezen: kracht-uithoudingsvermogen is het
belangrijkste aspect van vechtsportspecifieke conditie. Het melkzuursysteem
hangt samen met dit aspect, en vandaar de keuze voor onderstaande
trainingsmethodes. Pas ze eens toe in de training, de resultaten zullen alles
behalve verkeerd zijn!
INTERVAL TRAINING
Intervaltraining wordt al sinds jaar en dag in allerlei takken van duursport
beoefent. Bij deze vorm van training worden inspanningen op hoge intensiteit
afgewisseld met inspanningen op lagere intensiteit, ook wel actieve
herstelperiodes genoemd. Er zijn talloze vormen van interval, al dan niet
afgestemd op een bepaalde tak van sport. Enkele doeleinden waar intervaltraining
voor gebruikt word zijn het verhogen van het constante hardloop- of fietstempo
en het vergroten van de glycogeenvoorraden (glucose).
Het voordeel van intervaltraining voor vechtsporters is het leren omgaan met
inspanningen op hogere intensiteit en het trainen van de processen en
energiesystemen die daarbij worden betrokken. Zo draagt intervaltraining bij aan
de opslag van meer glucose (en dus brandstof) en het leren omgaan met melkzuur.
Zoals al eerder gezegd werd, is melkzuur de afvalstof van het gelijknamige
anaërobe energiesysteem. De sportwetenschap was er lange tijd van overtuigt dat
melkzuur de sportprestaties zou tegenwerken, een punt wat veel sporters die ooit
verzuurde spieren hebben mogen voelen zullen beamen. Een van de effecten van
intervaltraining was dan ook het verhogen van de melkzuurtolerantie, dus het
leren omgaan met de pijn en inperken van de productie van melkzuur.
De laatste jaren is deze bewering echter op losse schroeven komen te staan: het
begint er steeds sterker op te lijken dat melkzuur helpt bij de energielevering
in de spieren. In dat geval helpt intervaltraining weer mee aan het leren
gebruiken van deze afvalstof bij inspanningen. Er zijn dus twee kanten aan het
verhaal, en het mooie is dat ongeacht welke kant nu waar is, het allebei meer
dan goede redenen voor het trainen op interval zijn.
In principe heeft intervaltraining toegepast op conditionele activiteiten zoals
fietsen, zwemmen of cardio in het fitnesscentrum ook een positieve uitwerking op
de vechtsportspecifieke conditie. Nadeel is wel dat het niet optimaal aansluit
bij de bewegingen en acties binnen de vechtsport; willen we echt specifiek
interval trainen dan kan dit ook het beste worden toegepast op 'bekende'
oefeningen zoals schaduwboksen.
Een voorbeeld van een intervaltraining, toegepast op schaduwboksen:
-5 minuten warmdraaien d.m.v. schaduwboksen op rustig tempo;
-30 seconden voluit stoten en trappen;
-30 seconden op rustig en beheerst tempo schaduwboksen;
-30 seconden voluit stoten en trappen;
-30 seconden op rustig en beheerst tempo schaduwboksen;
-45 seconden voluit stoten en trappen;
-60 seconden op rustig en beheerst tempo schaduwboksen;
-45 seconden voluit stoten en trappen;
-60 seconden op rustig en beheerst tempo schaduwboksen;
-60 seconden voluit stoten en trappen;
-5 minuten cooling down d.m.v. schaduwboksen op rustig tempo.
Bij deze vorm van intervaltraining word de duur van de inspanning steeds langer.
De duur staat echter niet vastgesteld; zo kunnen er ook blokken van 15 seconden
maximale inspanning om 30 seconden herstel gebruikt worden, of verschillende
blokken waarin de duur van de maximale inspanning steeds varieert. Het mag in
ieder geval duidelijk zijn dat intervaltraining vraagt om een goede
basisconditie! Het kan een erg belastende vorm van conditietraining zijn en is
daarom niet voor de minder getrainde vechtsporter weggelegd.
FOSFAATPOOL TRAINING
De zogenaamde fosfaatpool training is gericht op het verkleinen van de
hersteltijd van het eerder beschreven creatinefosfaatsysteem en het vergroten
van de creatine opslag. Hierdoor leert het lichaam de verbruikte hoeveelheid
creatine sneller aan te vullen waardoor we maximale (explosieve, krachtige)
inspanningen langer vol kunnen houden. Omdat het hier gaat om een systeem wat
van zichzelf weinig capaciteit heeft (genoeg voor 10-20 seconden) lijkt het
misschien niet helemaal in het straatje van conditietraining te passen. Toch
gaat het hier om een energiesysteem wat uitgeput kan raken, en waarbij training
het uithoudingsvermogen van dit systeem kan verbeteren. Zeker niet onpraktisch
aangezien het creatinefosfaatsysteem een zeer krachtige bron van energie is.
Fosfaatpool training dient volgens de volgende richtlijnen te gebeuren:
-15-20 sec. maximale explosieve inspanning (met daarbij ook de intentie om zo
explosief als mogelijk te bewegen!);
-3 tot 5 herhalingen/sets;
-Rustpauzes in een verhouding van 1 tot 2, bijvoorbeeld 30 sec. rust tegenover
15 sec. inspanning. In de rustperiode kan het creatinefosfaatsysteem zichzelf
weer aanvullen.
Een praktijkoefening volgens dit systeem zou kunnen zijn:
-15 seconden voluit stootcombinaties op de zak, gevolgd door 30 sec. actieve
rust waarbij de stoten in een langzaam en beheerst tempo worden uitgevoerd. Deze
handeling wordt 3 tot 5 keer herhaald.
Zoals gezegd is fosfaatpool training gericht op het vergroten van de creatine
opslag. De verwachting bij deze training is dat het tijdens de daarop volgende
herstelperiode zal 'supercompenseren' door het opslaan van meer creatine in de
spieren. Supercompensatie houdt in dat het lichaam na uitputting of beschadiging
door zware lichamelijke training zich gaat voorbereiden om dergelijke
lichamelijke belasting in het vervolg beter het hoofd te kunnen bieden. De
voorbereiding in dit geval is het vergroten van de eigen creatine opslag.
CIRCUIT TRAINING
Hoewel het een trainingsvorm is die al vanaf 1953 bestaat, begint het zogenaamde
‘Circuit Training’ vooral de laatste jaren veel aan populariteit te winnen.
Het idee achter circuit training is dat een selectie verschillende oefeningen,
met verschillende trainingsmaterialen (machines, gewichten) of het eigen lichaam
als weerstand, achter elkaar worden afgewerkt. Kenmerkend is dat er tussen die
oefeningen geen langer rustmoment zit, en zelden tot nooit twee oefeningen voor
dezelfde spiergroep met dezelfde trainingsmethode elkaar opvolgen.
Een circuit training met lichaamseigen oefeningen zou er als volgt uit kunnen
zien:
-12 keer opdrukken, meteen gevolgd door:
-12 keer optrekken, meteen gevolgd door:
-20 sit-ups, meteen gevolgd door:
-12 kniebuigingen, meteen gevolgd door:
-12 keer dippen , gevolgd door een minuut rust.
Bij een circuit training zijn de mogelijkheden praktisch oneindig. In plaats van
herhalingen kan er ook met tijd gewerkt worden en er is een praktisch oneindige
variatie aan oefeningen en combinaties mogelijk. De duur van een circuit
bedraagt meestal 20 tot 30 minuten waarin, afhankelijk van het aanbod aan
materialen, 5 tot 12 verschillende oefeningen kunnen worden afgewerkt.
Het voornaamste voordeel van een circuit is dat er bij een juiste toepassing
verschillende energiesystemen en spieren in een sessie getraind kunnen worden.
Vermoeidheid en uitputting zijn in principe altijd spiergebonden; dat betekent
dat we na ons maximum aantal push-ups te hebben uitgevoerd nog wel de energie
voor optrekken hebben. Zijn de spieren door een krachtoefening verzuurd dan
kunnen ze nog wel bij een conditionele activiteit ingezet worden.
Wanneer we een circuit training ter ondersteuning van vechtsport willen
toepassen moet er weer eerst bepaald worden welke eigenschappen we willen
trainen. Door het hoge tempo van deze training zouden er voor het
cardiovasculaire systeem in principe al geen directe oefeningen meer gedaan
hoeven worden, al zouden deze wel als actief herstel in de selectie opgenomen
kunnen worden.
Zoals al eerder duidelijk werd, speelt vooral het krachtuithoudingsvermogen de
voornaamste rol binnen de vechtsportspecifieke conditie. Het circuit wat
hieronder beschreven word gaat dan ook voornamelijk van deze eigenschap uit,
hoewel er dus ook oefeningen en technieken voor verschillende andere vormen van
kracht zouden kunnen worden opgenomen.
Voorbeeld circuit
Dit circuit gaat uit van 9 oefeningen, met een duur van 30 tot 45 seconden per
oefening, en is afgestemd op kickboksen met de nadruk op stoot- en
traptechnieken; een circuit kan altijd naar gelang de stijl, sport of technieken
worden aangepast.
De totale duur van dit circuit, inclusief rustpauzes, bedraagt een kleine 10
minuten.
-30 sec. stootcombinaties op kussens/striking pads
-45 sec. Kikkersprongen
-30 sec. sit-ups
-30 sec. lowkicks op kussens / striking pads
-45 sec. push-ups
-30 sec. achterwaarts push-ups
-30 sec. highkicks op kussens / striking pads
-45 sec. Lunges (uitstappen)
-30 sec. Knie- technieken op kussens / striking pads
1 tot 2 minuten rust
Nogmaals: de mogelijkheden zijn oneindig. Combineren en variëren!
Graag wil ik Robin van http://www.personaltraininghaarlem.nl/ bedanken voor zijn medewerking aan dit verhaal