Samurai Zwaard
De bijzondere betekenis die dit zwaard voor de Japanners
heeft, is voor westerlingen nauwelijks voorstelbaar. Het zwaard vormde het
machtssymbool van de Samurai. Alleen zij waren gerechtigd tot het dragen van deze twee
zwaarden . De katana ( het lange zwaard, de kling langer dan 60 cm ) en de wakizashi ( het korte
zwaard , de kling van 30 cm tot 60 cm ), die samen de Daisho worden genoemd.
Deze zwaarden waren voor een samoerai heilig. Het aanraken van dit wapen zonder
toestemming of op een verkeerde wijze, was een belediging en kon onthoofding
betekenen.
Wat maakt het Japanse zwaard zo uniek? Om dit te
kunnen begrijpen, is het nodig ,wat meer over de werkwijze van de Japanse smeden
te weten De vervaardiging van een zwaard kon een jaar in beslag nemen.
Elk onderdeel van het zwaard was een kunstwerk op zich en werd met de grootse
nauwkeurigheid vervaardigt en uitgewerkt.
In een Tatara ( klei oven )
, vult men de
oven gedeeltelijk met houtskool, maakt een vuur en voegt het ijzerzand toe.
Het gesmolten ijzer verzameld zich onderin. Dit proces duurt ongeveer 3 dagen en 3 nachten. We hebben nu een klomp ruwe ijzer ( watetsu )
Het deel hoogwaardige grondstof in de watetsu heet tamahagane
. Het
vervaardiging van een zwaard begint met het gieten van de watetsu in een
blokvorm met een lang handvat eraan , deze later wordt verwijderd . Door het
ijzer te verhitten totdat het witheet werd, ontstond aan de oppervlakte een
vloeibare laag, die het mogelijk maakte twee oppervlaktes aan elkaar te wellen.
Dit blok wordt platgeslagen, waarna het wordt dichtgevouwen tot het weer een
rechthoekige vorm heeft. Daarna gaat het de oven in en dit proces wordt
verschillende keren herhaald. Door het vouwen, slaan en vouwen werd het
staal uit dunne laagjes wordt opgebouwd.
Deze techniek heeft als gunstig bijverschijnsel dat de
verontreinigingen verbranden door de hoge temperaturen. Tegelijkertijd treedt
door het 'openstaan' van de buitenstructuur koolstof toe tot het oppervlak van
het ijzer. Deze koolstof is het gewenste bestanddeel dat het harden van het
ijzer mogelijk maakt. De Japanse smeden gebruikten speciale houtskool als
brandstof voor hun smidsvuur. Houtskool bevat geen zwavel of fosfor, deze hebben
een nadelige
invloed op staal ( snel breken in koude toestand ). Als men ijzer dubbel vouwt
en
weer aan elkaar welt, brengt men
koolstof naar het binnenste van de verkregen plak materiaal. Een ideale combinatie werd door de
Japanse smeden toegepast:
een zwaard waarvan de kern werd gevormd van zacht
staal ( 5 maal vouwen ) en de zijkanten van een verende kwaliteit ( 7 maal
vouwen ), De snijkant van hard staal ( 15 maal vouwen ).
Deze constructie noemt men
sanmai awase. Grote aandacht wordt door de smid besteed
aan de punt ( kissaki ) en het aangrenzend gedeelte, de monouchi. De kissaki wordt
op zodanige wijze omgesmeed, dat de gereedschapsstalen snede ook langs de
snijkant van de kissaki loopt. Na het smeden ( kitae ), brengt de smid het zwaard in zijn
eigenlijke vorm, waarbij hij een zeer dun laagje materiaal weg vijlt.
Daarna
volgt het belangrijkste gedeelte het harden van het blad is veruit het belangrijkste en moeilijkste deel van het
zwaardsmeden .
Het harden van het blad
Eerst wordt het blad ingesmeerd met “yakibatsuchi” , een mix van water, klei en andere ingrediënten. Elke smid heft zijn eigen recept, meestal een zorgvuldig bewaard geheim. Het kleimengsel wordt aangebracht op het blad, dikker aan de bovenkant, en dunner naar de snede toe. Afhankelijk van de manier hoe de klei werd aangebracht , kan een verscheidenheid van effecten worden verkregen.
Deze hamon is de belangrijkste esthetische eigenschap van het blad. Elk patroon heeft een eigen naam. “suguha” is een zeer rechte hamon , terwijl sambon-sugi een driedelige zigzaglijn is.
Na het aanbrengen van de dunne laag klei op de snede , en de dikkere laag op het lemmet, brengt de smid ook een aantal dunne strips klei aan, loodrecht op de snede. Deze stripjes fungeren als kleine isolators, en vormen de zogenaamde ashi, kleine kanaaltjes van zachter pearliet in het hardere staal van de snede. Dit zaagtandpatroon helpt de schade te beperken indien er stukjes uit de snede zouden springen bij gebruik. De schade wordt dan beperkt tot de volgende ashi. Ook de vorm van de hamon wordt hiermee mee bepaald.

Na het drogen van de klei
werd in een verduisterde kamer,met enkel het licht van het smidse vuur het lemmet verhit
tot rond 750°C . Als de temperatuur stijgt, beginnen de kristalstructuren in het metaal
te veranderen. De smid kijkt nauwlettend toe op de kleur van het verhitte
metaal. Wanneer de kritieke temperatuur wordt bereikt koelde men het blad
snel af in een bad water van ongeveer 20 graden (yaki-ire). Door het verschil in dikte van
het blad en de klei krijgen we een verschil in afkoeling. Het materiaal van de
rugzijde zal zich een beetje samentrekken. Twee seconden na het onderdompelen
zal de punt daardoor een beetje naar boven krullen. Na 5 seconden veranderd de
structuur van het staal van austeniet naar martensiet. Waar het yakibatsuchi het dikst werd aangebracht, zal het staal
echter langzamer afkoelen , waardoor het niet veranderd in martensiet, maar in
pearliet, dat zachter en flexibeler is. Deze combinatie van een zacht blad met
een harde snede, geeft het zwaard zijn gewenste eigenschappen. De overgangszone
tussen het zachte staal van het lemmet en het harde staal van de snede (waar het
witachtige martensiet overgaat in pearliet ) is zichtbaar als een witte lijn,
habuchi genoemd. Deze lijn kan, afhankelijk van de temperatuur voor het afkoelen
breed of smal zijn. Ook martensiet partikels ( nioi,nie) kunnen in dit gebied
voorkomen. Het visuele patroon dat deze lijn markeert noemt men de hamon.

Door deze ongelijke afkoeling van blad en snede, krijgen we ook een verschil in krimping van het materiaal. Hierdoor krijgt het blad zijn typische kromming (sori) .
Na verwijdering van de gebakken kleilaag scherpt de smid het zwaard op een wetsteen en controleert hij het op mogelijke smeedfouten ( kizo ), was hij tevreden over het resultaat, dan vijlt hij de angel ( nakago ) in de gewenste vorm en voorziet hij de nakago van zijn signatuur ( mei ), maar als hij niet tevreden was met het uiteindelijke resultaat, signeerde hij het zwaard niet. Het zwaard wordt in de laatste fase gepolijst.
Het Polijsten
De lengte van een zwaard wordt uitgedrukt in shaku , sun en bu :
1 shaku = 11.93 inches = 30.3 cm
1 sun = 1.2 inches =3.03 cm
1 bu = 0.12 inches =3.03 mm
Een blad korter dan 1 shaku is een tanto ( mes ).
Een Hirazukuri Aikuchi Tanto uit de 15e eeuw ,Nagasa 27,2 cm

Een blad langer dan 1 shaku , maar korter dan 2 noemt men een sho ( kort zwaard
) wakizashi.
Een Wakizashi uit ( 1650-1670 ) , Nagasa 41 cm
Een blad langer dan 2 shaku is een dai ( lang zwaard ) katana.
Een Katana uit de 16e eeuw, Nagasa 63 cm

Wazamono / Tameshigiri
Wazamono betekent hoe goed het zwaard snijdt.
Het testen van de scherpte noemt men tameshigiri,
Een groot zwaardkenner Tsuge klasseerde de zwaarden volgens hun snijcapaciteiten
in 1797.
hij deed dit samen met Yamada Asaemon, een onthoofdingsspecialist.
Zij verdeelden de zwaarden in vier categorieën.
Saijyou-Oowazamono
Het zwaard sneed het deel volledig af.
Oo-Wazamono
Het zwaard sneed voor 90% door het deel heen.
Yoki-Wazamono
Het zwaard sneed voor 80% door het deel heen.
Wazamono
Het zwaard sneed voor 70% door het deel heen heen.
Om te controleren hoe goed een zwaard kon snijden,
testten zij dat op een man van 40 tot 50 jaar oud.
De Yamada familie testte generaties lang op deze manier zwaarden voor de
Tokugawa’s.
soms werden veroordeelden gebruikt voor dit doel, maar soms ook werd er getest
op dode lichamen.
Het testen op levende lichamen werd iki-dameshi genoemd. Shinin-dameshi was het
testen op dode lichamen.
De lichamen werden op een “dodan” vastgebonden
.
Elk deel van het lichaam had een bepaalde moeilijkheid graad volgens de hardheid
van het lichaam.
Graad één is de hardste
In het handvat van het zwaard ( nakago ) vindt men soms aanwijzingen (
Saidan-mei ) terug
op welke wijze het zwaard getest werd ( hoeveel sneden en welke ) . Tegenwoordig worden zwaarden getest op bundels stro of bamboe.
belangrijkste delen van de Katana
Ha = snijvlak
Ha-machi = einde snijvlak
Hi = groef voor gewichtsvermindering
Hitoe = bovendeel van doorn bij munemachi
Kissaki = punt van het zwaard
Mei ura = handtekening van de maker
Mei omote = datum wanneer het zwaard is gemaakt
Mekugi-ana = gat in angel voor de bamboe pin
Mono-uchi = slagvlak
Mune = de niet scherpe achterkant ( rug ) van het lemmet van het zwaard
Mune-machi = einde achterkant ( rug )
Nagasa = lengte van de kling
Nakago = angel van het zwaard
Sori = kromming van het zwaard
Tsuka = handvat van het zwaard
Yasuri-mei = vijl kenmerken
Fuchi = huls tussen tsuba en ito
Habaki = kraag tegen de tsuba
Ito = gevlochten handvat om het heft van het zwaard
Kashira = dop op de uiteinde van het heft van het zwaard
Kurikata = oog aan de saya voor het koord
Koiguchi = ingang van de schede
Kojiri = uiteinde van de schede van het zwaard
Menuki = versierselen op het heft van het zwaard
Mekugi = bamboe Pin die het lemmet in het handvat van het zwaard vasthoudt
Netsuke = gordelknoop
Sageo = koord van het zwaard
Same = roggehuid, om het heft van het zwaard
Saya = schede van het zwaard
seppa = plaatjes aan weerszijden van de tsuba
Tsuba = stootplaat
De Hamon ( de rand van het geharde deel )
Het patroon van de buitenste lijn van de yakiba heet de
hamon
. Op de
alleroudste zwaarden is dit meestal een rechte of zeer licht golvende lijn,
genaamd suguba. Zoals blijkt, kan de hamon dus naar de wil van de maker gevormd
worden. Sommige scholen gebruikten de voor hun school specifieke hamon,
daarnaast waren er echter ook smeden die verschillende typen hamon maakten. Het
identificeren van een smid aan de hand van de hamon, zal in een enkel geval
mogelijk zijn. Het vereist echter een grote kennis van zaken. Van de hamon is
verder van belang het gedeelte in de punt die boshi wordt genoemd. Hij kan in
combinatie met de hamon een indicatie geven over de identiteit van de smid.
Kissaki ( de punt )
In de punten van zwaarden kan men diverse vormen
onderscheiden.
klein
( kokissaki )
middelgroot
( chukissaki )
groot
( okissaki )
De fukura is de snijkant van de punt.
Mune ( de rug van het blad )
De meest voorkomende vorm is de dakvormige. Daarnaast komen ook driekantige, halfronde en platte mune voor.
Nakago ( de greep van het blad )
Dit gedeelte van het zwaard is van het grootste belang.
De nakago kan een veelheid van gegevens bevatten die van het grootste belang kunnen zijn voor de identificatie van het desbetreffende zwaard. In eerste instantie wordt de leeftijd van de kling beoordeeld ,hoe meer en donkerder de roest is , des te ouder is de kling . De angel bevat vijlstreken ( yasurime ) die de smid hierop heeft aangebracht. Hij doet dit meestal op dezelfde wijze en in hetzelfde patroon. Ook de punt van de nakago vijlt hij in de gewenste vorm. De signatuur ( mei )van de smid en datum wanneer het zwaard is gemaakt. In de nakago vindt men ook een of meer gaatjes, de mekugi ana, waardoor de bamboe pen ( mekugi ) gaat die het handvat fixeert.
Habaki ( centreer huls )
Menugi ( versiering )

De menuki vind je halverwege de greep onder het zijden windsel
van de greep. Er zijn er altijd twee en zitten aan weerszijden van de greep. Ze
dienen voor het verstevigen van de grip op het wapen. Ze kunnen van allerlei
materialen gemaakt zijn, oa. zilver, koper, staal. Sommige zijn echte
meesterwerkjes. Bij de topzwaarden hebben de tsuba, fuchi, kashira en menuki het
zelfde thema.
Kashira ( dop op uiteinde van het handvat )
Fuchi ( huls )

de fuchi en kashira hebben vaak het zelfde motief

Tsuba ( stootplaat )
De tsuba is ook een belangrijk deel van het zwaard. Hiermee zijn de handen beschermd tijdens een gevecht als een vijandelijk zwaard naar beneden glijdt. De tsuba is vaak versierd met prachtige graveringen , afbeeldingen of symbolen.

In de saya van de Katana ,Wakizashi en Tanto , werden soms uitsparingen aangebracht voor kleine haarpennen (Kogai) of mesjes (Ko-katana ).
In sommige tsuba's zien we uitsparingen waar de kogai en kozuka doorheen staken deze gaten heten kogai hitsu-ana en kozuka hitsu-ana.

Kogai
De kogai is een haarpin die diende om het haar van de samurai op te steken , de achterkant van de kogai werd gebruikt om de oren mee schoon te maken . De kogai was dikwijls ook voorzien van het clansymbool ( Mon ).

Wari-Kogai

De Wari-Kogai bestaat uit twee helften,en werden gebruikt als eetstokjes
De Kozuka is het handvat van de Ko-katana ( klein mesje )
Ko-katana
De Ko-katana is een mesje dat was bedoeld om kleine snijwerken mee te doen .

Kaeri-zuno

dit haakje aan de Saya was ervoor om aan de onderkant van de Obi in te haken , zodat het zwaard niet verschoof of wegzakte.
Koiguchi (open eind van de schede "bek van de karper" )
Sageo ( Koord )
Japanse tijdperken
De leeftijd van het zwaard en onderdelen ervan worden vaak met tijd perioden aangeduid. De zwaarden uit de oude koto periode zijn de best gesmede klingen, in de shinto periode zijn er minder goede zwaarden omdat er toen veel werd gevochten en het zwaard in massa productie werd gemaakt , en uit de shinshinto periode zijn er weer betere geproduceerd.
met speciale dank aan Roy Echtermeijer van Japanese Swords & Asian Arts voor de foto's
special thanks to ricecracker for the picture